Verklarende woordenlijst
Een taal op zich
Wanneer u in de wereld van de zeilschepen duikt, gaat er een heel nieuwe wereld open, die natuurlijk ook zijn eigen taal heeft. Veel woorden zijn vreemd, sommige bekend, weer andere krijgen hier een nieuwe betekenis. We hebben hier een paar termen voor u op een rijtje gezet.
Aanhalen
Aanhalen is een term uit de scheepvaart, en betekent: het gecontroleerd binnenhalen van een lijn (in ‘gewone’ taal: het gecontroleerd trekken aan een ‘touw’, ketting, enz.). Daarbij kan het zowel om touwwerk gaan als ook om een ankerketting of –touw. Het aanhalen van het ankerketting of ankerlijn wordt ook ‘hieuwen’ genoemd Het begrip ‘hieuwen’ wordt ook gebruikt voor het hijsen van lasten bij kranen of het inhalen van lijnen en vallen met lieren.
Wanneer een lijn zover mogelijk moet worden aangehaald en vastgezet, dan spreken we ook van beleggen. Het tegendeel van aanhalen, dus het loslaten van een lijn, wordt ‘vieren’ genoemd.
» http://de.wikipedia.org/wiki/Anholen
Bakboord
Met bakboord wordt de linkerkant aangeduid van een vaar-, vlieg- of ruimtevaartuig, gezien vanaf de achtersteven naar de boeg (in de vaarrichting).
De herkomst van het woord is (in tegenstelling tot bij stuurboord) niet eenduidig te achterhalen. Het begrip zou kunnen verwijzen naar de rug (Engels: ‘back’) van de stuurman, die vroeger op de rechterkant van schip stond. Mogelijk komt het woord ‘bak’ echter ook van een tafel of zitkist die aan deze kant van het schip stond (en niet rechts, want daar stond dus de stuurman).
In de drakenschepen van de Vikingen stuurde men met een roeiriem, die aan het rechter boord was bevestigd. Omdat de stuurman met het gezicht naar het stuurboord (rechts) stond, keek men vanaf de linkerkant van het schip dus op zijn rug. De kleur van het bakboordpositielicht van vaar- en vliegtuigen is rood.
» http://de.wikipedia.org/wiki/Backbord
Belegnagel
Een belegnagel is een korte, van boven meestal afgeronde en onder spits toelopende staaf, die op zeilschepen wordt gebruikt om het touwwerk te ‘beleggen’, ofwel vast te zetten. Belegnagels worden bevestigd in speciaal daarvoor gemaakte nagelbank. Belegnagels werden eerst van hout, maar sinds de 2e helft van 1800 steeds vaker ook van metaal gemaakt. Ze worden bewust van verschillende materialen en maten vervaardigd; door het verschil in gevoelstemperatuur tussen hout en metaal kun je weten welke lijn aan welke nagel bevestigd is – wat handig is bij slecht zicht. Op grote zeilschepen en traditioneel gehouden kleinere schepen worden nog steeds belegnagels gebruikt, op modernere schepen wordt de functie hiervan steeds meer overgenomen door zgn. klampen.
» http://de.wikipedia.org/wiki/Belegnagel
Bras
Een bras (meervoud: brassen) maakt deel uit van het lopende touwwerk van een razeilschip (dwarsgetuigd schip). De brassen zijn resp. aan bakboord en aan stuurboordzijde aan de nok van de respectievelijke ra aangeslagen en dienen ertoe de ra horizontaal om de mast te draaien, zodat het aan de ra aangeslagen zeil dusdanig in de wind kan worden gedraaid dat het optimaal wind vangt.
Brassen van de ra naar lei wordt aanbrassen genoemd.
» http://de.wikipedia.org/wiki/Brasse_(Segeln)
Boeg
De boeg is het voorste deel van een scheepsromp en moet goed gestroomlijnd zijn. (Het achterste deel heet de achtersteven.) De voorste lijn van de boeg heet de voorsteven, die bij houten schepen meestal bestaat uit een vierkant houten balk. Een voor de boeg uitstekend deel van het schip wordt ‘galjoen’ genoemd.
In de loop van de tijd zijn verschillende bouwvormen ontstaan, waarbij zowel optische als ook stromingstechnische criteria de vorm bepaalden.
» http://de.wikipedia.org/wiki/Bug_Schiff
Vieren
Vieren – ook opvieren – is een scheepvaartterm voor het gecontroleerd loslaten van een lijn (in gewone taal: het gecontroleerd loslaten van een touw, ketting, enz.).
Daarbij kan het zowel om touwwerk als om het ankerketting gaan. Het tegengestelde van vieren, dus aantrekken (binnenhalen) van een lijn wordt aanhalen, dichthalen of ook hieuwen genoemd.
» http://de.wikipedia.org/wiki/Fieren
Kiel
De kiel is het belangrijkste midscheeps in de bodem aangebracht langsverband van een schip of boot. De kiel is dus de `ruggengraat’ van het schip. Aan de kiel zijn de overdwars stabiliserende spanten, de z.g.n. `ribben’ aangebracht. Aan de beide uiteinden gaat de kiel over in resp. de voor- en achtersteven. Naast de stabilisering van de romp dient de kiel – vooral bij zeilvaartuigen – ook ter verhoging van de koersstabiliteit omdat hij het zijwaartse afdrijven afremt. In tegenstelling tot een ophaalbaar zwaard is een kiel gewoonlijk vast gemonteerd en heeft een aanzienlijk gewicht. Al naar gelang het soort schip zijn er ook verschillende kielvormen.
» http://de.wikipedia.org/wiki/Schiffskiel
Kluiverboom
De kluiverboom is een beweegbaar, meestal vast aangeslagen, rondhout dat voor de boeg van een zeilschip uitsteekt.
Om afbreken te voorkomen is hij met stagen bevestigd. Bij kleinere zeilschepen is één stag naar boven voldoende; bij zwaardere kluiverbomen kunnen meerdere waterstagen en stampstagen worden ingezet. Voor versteviging aan de zijkant worden boegstagen gebruikt. Onder de kluiverboom is meestal een vangnet gespannen voor de veiligheid. De kluiverboom kan bij zware zeegang of langer verblijf in een haven gedemonteerd worden.
Aan de kluiverboom kunnen tot vijf voorzeilen bevestigd worden: vlieger, jager, buitenkluiver, binnenkluiver en fokkestagzeil.
» http://de.wikipedia.org/wiki/Klüverbaum
Nagelbank
Een nagelbank is een toestel ter bevestiging van belegnagels op zeilschepen. Het is een eenvoudige plank met gaten, waarin de belegnagels gestoken kunnen worden. Nagelbanken worden in de regel bevestigd aan de binnenkant van de verschansing, tussen de wanten of bolders.
» http://de.wikipedia.org/wiki/Nagelbank
Schoot
De schoot is de benaming voor de lijn waarmee de stand van een zeil ten opzichte van de boot geregeld kan worden. Door de schoot te vieren kan het zeil verder uitstaan, door de schoot in te halen, staat het zeil mee in de lengterichting van de boot. Bij grotere zeilschepen loopt de schoot van een groter zeil veelal over meerdere blokken of katrollen om de kracht die erop staat hanteerbaar te houden.
Stuurboord
Met stuurboord wordt de rechter kant aangeduid van een vaar-, vlieg- of ruimtevaartuig, gezien vanaf de achtersteven naar de boeg (in de vaarrichting). De term stamt uit de begintijd van de scheepsbouw omdat vroeger de positie van de stuurman aan de rechterkant van het schip was. Zo bevond zich op een vikingschip het roer op de achtersteven aan de rechterkant van het schip. De kleur van het stuurboorpositielicht van vaar- en vliegtuigen is groen.
» http://de.wikipedia.org/wiki/Steuerbord
Touwwerk
De term ‘touwwerk’ duidt op alle touwen – op een schip altijd ‘lijnen’ genoemd – die gebruikt worden op schepen. Het touwwerk is bevestigd aan de rondhouten, zeilen en masten via katrollen, blokken, ringen. Het materiaal van een lijn is afhankelijk van de functie en het doel ervan. In de keuze spelen zaken als de kracht, duurzaamheid, vocht en onderhoud een rol. Het touwwerk bestaat uit twee types: staand en lopend touwwerk.
Het staande touwwerk is statisch, beweegt dus niet, en wordt gebruikt om de masten en rondhouten op de plaats te houden. Moderne staande tuigages zijn meestal van staalkabel. Deze worden ook ‘stag’ (meervoud: stagen) genoemd.
Het lopende touwwerk wordt gebruikt om de zeilen en masten te bedienen. Deze lijnen moeten soepel en sterk zijn, en de krachten die erop uitgeoefend worden, bepalen de dikte van ervan. Tot het lopende touwwerk behoren de vallen en de schoten.
Tros
Tros is een touw dat wordt gebruikt voor het vastleggen van een schip. Het zijn meestal dikke kabels.
Val
Val is de benaming voor de lijn waarmee de zeilen, een ra, of vlag gehesen of gevierd kan worden. De vallen zijn genoemd daar de respectievelijke zeilen die zij bedienen: de fok wordt gehesen met de fokkeval, het grootzeil met de grootzeilval. Bij een gaffelgetuigd schip is daarvoor een klauwval en piekeval nodig.



